#19 Hoe kunnen compassie en afkeer samengaan?

Lisa heeft in haar appartementencomplex een buurman, een aardige man van ongeveer 84 jaar met de ziekte van Parkinson.  Daardoor valt hij vaak, verzorgt hij zich niet goed. Hij heeft twee katten en ook die verzorgt hij niet goed. Hij vraagt Lisa met enige regelmaat of ze op bezoek komt. Ze heeft dat een paar keer gedaan, maar ze wil dat niet zo vaak als hij dat vraagt. Ze ziet er ontzettend tegenop, omdat ze het zo vies vindt. Hij accepteert moeilijk zorg en het stinkt er. Zo blijven de behoeften van de katten in de open kattenbakken liggen en staat zijn aanrecht vol schimmelende vaat. Ze heeft echt compassie met hem, en tegelijk voelt ze zo’n afkeer. Ze denkt dat ze voor zichzelf zorgt door niet naar hem toe te gaan, maar dat voelt niet helemaal goed. Ze weet het dus nu niet en wil graag dat we met haar meekijken naar deze situatie. Haar vraag aan onze leergroep is: ‘Hoe kan ik vanuit liefde en compassie omgaan met de situatie van mijn buurman, terwijl ik tegelijk zo’n afkeer voel?’ 

Visualisatie

Omdat dit Lisa zou helpen doen we allemaal een visualisatie van de situatie, waarin we doen alsof we daar zelf in zitten. Vanuit Zijnsoriëntatie kennen we de visualisatie van het huis van Zijn en stellen we ons het huis van Zijn voor. Daardoor weten we ons omringd door liefde en licht. We betrekken de situatie met de buurman ook in het huis van Zijn. Dat helpt ons om open naar de situatie te kijken. We weten dat hij Parkinson heeft in een gevorderd stadium. Hij doet de afwas niet, hij verzorgt zichzelf niet. Het stinkt. Hoewel hij af en toe naar de dokter gaat voor zijn ziekte accepteert hij geen hulp voor zijn situatie. En hij wil wel dat Lisa op de koffie komt, omdat hij behoefte heeft aan gezelschap. 

Als we contact maken met ons zelf dan komen allerlei gevoelens, emoties en gedachten bij ons boven. We benaderen die vanuit basale liefde en weren niets af. We delen om de beurt wat we voelen: een klemzitten, een groot nee, afkeer, afschuw, woede, verachting, medelijden, onpasselijkheid, mensonwaardigheid. Alles wat bovenkomt schudden we de hand. Dat wil zeggen, we benaderen ze vriendelijk en heten ze welkom. Niet alleen onze positieve gevoelens, maar ook de negatieve emoties.

We vragen ons vervolgens af welke informatie er in de emoties die opkomen zit. Dat vragen we aan ons gevoel. Daarmee keren we als het ware naar binnen en maken ons los van de buurman. Zo gebruiken we ons verstand om te communiceren met ons gevoel, we luisteren ernaar. 

Er komt veel op: een diepe acceptatie, dat de situatie is zoals die is, maar ook dat die mens onwaardig is. Er komt kracht op vanuit de woede, en informatie over wat we wel willen – we willen hem af en toe gezelschap houden – en over wat we niet willen: niet onder de huidige omstandigheden. 

Naast onze zachte kant (buikkant) van hem terwille willen zijn, want hij lijdt, wordt er nu ook een stevigheid (rugkant) ervaarbaar, waarmee we grenzen kunnen stellen. Rug- en buikkant gaan samenwerken. Ook komt boven dat niemand kiest voor deze vorm van leven. Het is een opeenstapeling van omstandigheden, waar hij niet voor heeft gekozen. Dat haalt het persoonlijke ervan af. Dat haalt de klem eraf en blijkt de weg vrij te maken voor rust. Hiermee hebben we nog geen concrete oplossingen, maar zorgen we wel voor innerlijke ruimte waarin gevoel en verstand kunnen blijven samenwerken en waarin we bij de situatie passende keuzes kunnen maken.

Aan het einde van de visualisatie vragen we ons af: Wat kunnen we dan wel doen? Hij wil niet met de huisarts praten over zijn situatie, en ook niet met zijn kinderen. Hij lijkt zich te schamen voor zijn situatie. Hoewel hij heel boos op Lisa is geweest, omdat ze in een gesprek contact met zijn kinderen of de huisarts over zijn situatie aan de orde stelde, denkt ze dat er wel een basis van vertrouwen is.

Vanuit een van ons die in het dagelijks leven zorgprofessional was, komt nuchtere hulp. Zoals de vraag: is het er nog wel veilig? Volgens Lisa’s inschatting niet. Er kan immers makkelijk brand uitbreken of ziektes of er kan zich ongedierte nestelen. Het is niet veilig voor hem, en ook niet voor zijn omgeving. Vanuit de professionele zorg blijkt dit als een keerpunt te worden gezien om hulp in te roepen, ook als hij dat niet wil. Dan mag je, ook als buurvrouw, zonder zijn toestemming de huisarts inlichten en erbij zeggen dat hij geen hulp wil. Als je dat wilt en denkt aan te kunnen kun je dat van te voren bij hem aankondigen. Daar wordt hij ongetwijfeld boos over, en dat moet je dan wel verdragen. De wetenschap dat je eraan bijdraagt om hem uit de onveiligheid te halen en ook uit de mensonwaardigheid kan je helpen. We moeten niet vergeten dat hij gevorderde ziekte van Parkinson heeft. Dat betekent onder andere dat het in zijn hersens allemaal niet meer zo goed werkt. Maar de huisarts informeren betekent niet dat hij meteen naar een verzorgingshuis moet. Het zou een mogelijkheid kunnen zijn, maar er zijn nog veel andere tussenoplossingen, ook bij hem thuis, mogelijk.

Lisa wil het gesprek met hem aangaan, maar niet in zijn woning. Nu het bijna zomer is zou dat ook buiten kunnen, bijvoorbeeld op een bankje in het park. 

Ze merkt dat ze gedurende het gesprek meer ruimte voelt. Maar dan realiseert ze zich dat ze een nieuwe klem ervaart: ze heeft moeite om over een ander te beslissen, zonder diens instemming. Het voelt voor haar als een soort verraad. Ze wil hiernaar kijken en deze gedachte de hand schudden

We kijken vervolgens naar de situatie vanuit inleving in de buurman. We realiseren ons als we in zijn schoenen staan, dat hij wellicht al lang heel boos is. Dat hij wellicht heel erg kwaad is op zijn eigen ziektesituatie. Dat hij zijn eigen ziekte niet heeft geaccepteerd en zich ervoor schaamt dat hij ziek is of weinig meer kan. Lisa bevestigt dat hij inderdaad erg boos is en zijn ziekte niet heeft aanvaard. We kunnen ons goed voorstellen dat er veel kwellende emoties zijn waar hij aan lijdt. Dat hij een hartgrondig nee heeft naar zijn situatie. Dat hij met zijn verwaarlozende gedrag eigenlijk zegt: fuck you all! 

We beseffen nu dat hij haast niet anders kan dan heel erg boos zijn. En dat het voor ons belangrijk is dat dat waar mag zijn. Hij voelt zich machteloos en zit dus op allerlei manieren klem. Hij kan door zijn ziekte letterlijk niet meer fatsoenlijk lopen en bewegen en doen. Hij triggert met zijn gedrag ons eigen vastzitten en machteloosheid.

Als wij onze eigen boosheid, afkeer en onmacht waar laten zijn en vanuit basale liefde de hand schudden, dan voelen wij ons weer ruimte. Nu wordt het makkelijker om zijn boosheid te erkennen. Tegelijk vraagt het moed van Lisa om zijn boosheid te trotseren. Zij ziet in ieder geval nu helder dat die niet persoonlijk is.

Tot slot doen we de compassiemeditatie. We stemmen ons opnieuw af op het huis van Zijn, wat gevuld is met het licht van liefde en andere Zijnskwaliteiten. Vanuit contact met deze Zijnskwaliteiten kunnen we met liefde, begrip en compassie naar haar buurman kijken en zien wie hij werkelijk is, namelijk ook gemaakt van liefde. Hij heeft niet gekozen voor deze situatie. Daarmee worden we zacht en verandert de toon naar onszelf en naar hem. Die wordt zachter en luchtiger, terwijl onze rugkant helemaal in tact blijft. Zacht en stevig tegelijk, onverschrokken. 

Lisa voelt zich dankbaar voor de wijsheid die uit de groep komt en geïnspireerd en gemotiveerd om een volgende stap te zetten. Vanuit haar compassievolle hart wil ze ingaan op zijn vraag om gezelschap. Uit het waar laten zijn van haar afkeer komt helderheid vrij hoe ze dat wil: niet meer bij hem thuis, maar in het café tegenover hun appartementencomplex. Niet meer dan eenmaal in de drie weken. Ze voelt best spanning om dit met hem te delen, maar ziet zichzelf dit wel doen.